We zitten voor de tent in avondlicht.
We praten wat en roeren in het eten.
De laatste zon weerkaatst op ons gezicht.
Vanmiddag maakten we een wandeling.
Het bergpad voerde langs een dorpje waar
de zondagsrust tussen de huizen hing.
Daar was een muur achter hoog struikgewas,
een poort die ons een blik bood op een tuin
met zuring, boterbloemen en wat gras.
Er stonden stoelen, her en der verspreid.
En daar ervoeren wij onuitgesproken
het stromen en het vloeien van de tijd.
Geen mens te zien, niets meer dan ademtocht
die wij vermoedden, en verklonken woorden
van ieder die ooit in die tuin zijn mocht.
Tussen de bergen vleit zich nu de nacht.
Wij dromen van ommuurde stille hoven.
De sterren houden boven ons de wacht.