Op Tannenbodenalp

 

Het is zo stil op Tannenbodenalp.

De nevel pakt geluiden in.

Ik hoor alleen een druppel  op het blad van

een kleine sneeuwroos bij het pad.

 

Mijn wandelrugzak leeg ik op de bank:

Het brood met gatenkaas, de waterfles,

De plattegrond die hier niet leesbaar is.

De metworst, het verbogen mes.

 

Op die verlaten en vermolmde bank

is alles daar wat ik ontlopen wou.

Het onvoltooide en het ongewisse,

de winkelhaak, de tarn, de scheur, de knauw.

 

Ze zijn hier allemaal als luchtgestalten,

als adem,  wolkenflard in vrije val.

Besluipen, wenken en verdwijnen weer.

 

De worst is op – ik keer terug naar het dal.

Het is zo stil op Tannenbodenalp.

 

Wilma Schakenraad

 

Moeder

We zitten samen bij de Hertenkamp,
jij in je rolstoel met een wollen deken,
terwijl we, alsof elk woord ons verrast,
al voor de achtste keer dit uur bespreken

wie toch die vrouw bij jou aan tafel was.
We kijken hoe de herten gretig eten.
Ik ben degene die de broodjes gooit
want hoe dat moet ben jij al lang vergeten.

Soms tel ik bij mezelf de jaren op
dat jij gelukkig was. En elke keer
zet ik ze af tegen het ongeluk.
Jij weet daar niets meer van. Dat scheelt dan weer.

Wat telt is dat wij hier nu samen zitten:
ik moeder, jij het kind voor dit moment,
vertrouwend dat ik jou straks thuis zal brengen,
omdat jij mij zoals geen ander kent.

Stemmen in de tuin

We zitten voor de tent in avondlicht.
We praten wat en roeren in het eten.
De laatste zon weerkaatst op ons gezicht.

Vanmiddag maakten we een wandeling.
Het bergpad voerde langs een dorpje waar
de zondagsrust tussen de huizen hing.

Daar was een muur achter hoog struikgewas,
een poort die ons een blik bood op een tuin
met zuring, boterbloemen en wat gras.

Er stonden stoelen, her en der verspreid.
En daar ervoeren wij onuitgesproken
het stromen en het vloeien van de tijd.

Geen mens te zien, niets meer dan ademtocht
die wij vermoedden, en verklonken woorden
van ieder die ooit in die tuin zijn mocht.

Tussen de bergen vleit zich nu de nacht.
Wij dromen van ommuurde stille hoven.
De sterren houden boven ons de wacht.

Een damesschoen

Een damesschoen uit Waddinxveen
Die leed verschrikkelijk aan spleen
Haar eigenaar, een echte dame
Was zakenvrouw, én een bekwame!
Zo drukbezet en veelgevraagd
Ze had nooit een moment ‘versagt’.

Maar oh, die arme damesschoen
Die moest dus al het loopwerk doen.
Van hot naar her, van her naar der
En alles altijd even ver.
Geen tijd om even bij te komen
Geen mogelijkheid om weg te dromen
Het leven was gehaast, gestresst
En ook al deed ze zo haar best
De dame vond het nooit genoeg
Hoe snel ze haar ook droeg.

Schoens buurvrouw was een halve zool
Die tussen perenbomen school.
Een eeuwigheid al lag ze daar.
Voor teveel stress was geen gevaar.
Zo verschillend! Desondanks
Kwam de schoen toch wel eens langs.
Ze huilden dan, de beide muilen.
Oh zeg: konden ze maar ruilen!
Zool sprak van parels voor de zwijnen.
En van langzaam weg gaan kwijnen.
Schoen zuchtte van prestatiedrang:
“Ik prefereer een slakkengang”.

En blijkbaar heeft Schoen zo gesnakt
Dat het goed heeft uitgepakt.
Ze voelde zich wat onstabiel
Eerst bij de teen, toen tot de hiel,
Wat gebeurde was bijzonder
Meer nog, ja, het was een wonder!
Ze werd wat ze had willen zijn
En vond dat ongelooflijk fijn.
Haar buurvrouw lukte dat niet meer
Die wílde vast niet al te zeer.

En in een kleine waterplas
Zag Schoen wat ze geworden was.

Nu zit ze heerlijk bij te komen
Bij buurvrouw, onder perenbomen.

Bucketlist

De dokter zei: u hebt nog kort te leven

– Zijn stem was laag, hij keek er ernstig bij –

Geniet nog van de dagen die u zijn gegeven

Van welke dingen wordt u nu echt blij?

 

Ik was perplex, bedremmeld, overdonderd,

en had nooit aan een Bucketlist gedacht

Een lijst met laatste wensen af te werken….

Alsof zo’n lijst de eindigheid verzacht.

 

Voor mij geen zwempartijtjes met dolfijnen,

skydiven, klettern naar de hoogste top,

noch bungeejumpen, raften of abseilen.

Dan liever een complete prikkelstop.

 

Toch heb ik later nog een wens bedacht:

momenten die me goeds hebben gegeven,

ik zou ze nog eens over willen doen,

niet anders, maar opnieuw willen beleven.

 

Met moeder naar Versteegens Modehuis

om een communiejurk voor mij te kopen.

Mijn hand haakt in haar grijze manteljas.

Nog eens zo hand in elleboog te lopen.

 

We lachen want hier staan we: op de berg.

Een foto nog, dan kunnen we bewijzen

hoe hoog en ver we al gekomen zijn,

en dat we samen verder willen reizen.

 

Jij doet de kap omlaag voor frisse lucht

voor onze baby in de kinderwagen.

Ik trek de kap al wandelend omhoog

Want kan zo’n wurm wel felle zon verdragen?

 

Laat mij maar zitten op mijn sleetse bank.

Dan lukt het me om nogmaals teer en klein,

geliefde, jonge moeder, slungelkind

en oud van dagen – al in een te zijn.